Handblad
Lies Franssens over doorstuderen met een handicap
Studenten met een handicap: ze zijn nog altijd (veel te) zeldzaam in onze samenleving. Toch hoeft een handicap geen onoverkomelijk probleem te zijn. Dat bewijst Lies Franssens, tweede jaar chemie aan de KU Leuven. Als dove studente heeft ze relatief weinig aanpassingsproblemen, vindt ze zelf.
‘Het huis waar ik samen met andere studenten op kot zit, is aangepast aan rolstoelgebruikers. Dat ik er ook verblijf, heeft vooral te maken met synergieën: we helpen de rolstoelgebruikers af en toe een handje, en voor mij is het handig dat er mensen zijn die me waarschuwen als er gebeld wordt, of als er bijvoorbeeld brandalarm zou zijn. Maar veel bijstand heb ik voor de rest niet nodig. In de les kan ik zes uur over een tolk beschikken – veel te weinig – en een deel van mijn kopieën worden terugbetaald, want ik kopieer veel van andere leerlingen. En ik krijg bijlessen. Die worden door het Vlaams Fonds betaald.
Toen ik hier begon te studeren, is in het auditorium één keer uitgelegd dat ik doof ben en waar de mensen het best op letten als ze met me willen spreken: traag praten, zorgen dat ik ze aankijk, dergelijke dingen. Het voelde wel een beetje raar, 400 man die naar je zit te kijken. Maar het was wel handig: iedereen was vanaf het begin op de hoogte en ik hoefde mijn uitleg niet altijd opnieuw te herhalen. Bij sommige medestudenten slijt het wel. Die gaan na een tijdje toch weer sneller praten. Maar anderen blijven dan weer hun best doen. Sommige goede vrienden zijn zelfs een cursus gebarentaal begonnen!
Aanpassingsproblemen had ik niet echt toen ik aan de universiteit begon. Of in elk geval veel minder dan toen ik van de dovenschool overstapte naar het gewone secundair onderwijs. Van een heel klein schooltje waar je perfect met elkaar kunt communiceren, kwam ik terecht in een echte mastodontschool. Een klas van twintig man was daar klein – in de dovenschool zaten we met vijf per klas. Toen heb ik echt aanpassingsproblemen gehad, ook al omdat ik midden in mijn puberteit zat. Dan voel je je sowieso al onzekerder.
Ik probeer wel nog contact te houden met de dovencultuur. Ik heb dat echt nodig: het gezellige, de wetenschap dat je elkaar moeiteloos begrijpt. Maar anderzijds heb ik ook de contacten nodig buiten de dovencultuur. Het blijft balanceren. Weet je waar ik heel erg blij mee ben? Dat de Vlaamse gebarentaal als een aparte taal is erkend. Niet noodzakelijk omdat we nu misschien meer tolkuren kunnen eisen of ondertiteling op tv. Maar wel omdat het een zekere erkenning inhoudt. Mensen denken vaak nog automatisch dat je dom bent omdat je een handicap hebt. Doordat dergelijke zaken in het nieuws komen, wordt dat beeld bijgesteld.’
Ondersteuning hoger onderwijs
In het lager en secundair onderwijs is het Vlaams Fonds niet bevoegd voor de pedagogische ondersteuning van personen met een handicap. In het gewoon onderwijs is het departement Onderwijs en Vorming bevoegd, in het bijzonder onderwijs is het de school zelf. Het gaat hier bijvoorbeeld om extra tolkuren tijdens de les, de betaling van kopieën of hulpmiddelen. In het (al dan niet universitair) hoger onderwijs biedt het Vlaams Fonds onder bepaalde voorwaarden wel pedagogische hulp. Meer informatie hierover kunt u krijgen
bij de provinciale afdelingen van het Vlaams Fonds of bij de studentenvoorzieningen van uw universiteit of hogeschool. Op beleidsmatig vlak speelt het Vlaams Expertisecentrum voor Handicap en Hoger Onderwijs (vehho) een belangrijke rol.
Contactgegevens :
Leuvenseplein 4,
1000 Brussel
Website: www.vehho.be