Handblad
Stef Elst over zijn werk als opvoeder
’Je eigen vooroordelen opzijzetten’
De neogotische gebouwen van de instelling Borgerstein in Sint-Katelijne-Waver ogen bijzonder indrukwekkend. ’Bij mijn weten is het een van de grootste instellingen voor de gehandicaptenzorg in Vlaanderen’, zegt Stef Elst terwijl hij ons naar zijn leefgroep begeleidt. ’En dan is er nog een aparte vzw die een rusthuis beheert in hetzelfde gebouw. Eén groot voordeel: veel kans op een burn-out krijg je hier niet. Als het moet, verander je binnen Borgerstein gewoon van werk of van leefgroep.’
Zelf is Stef niet zo’n jobhopper: hij werkt al 10 jaar in dezelfde leefgroep voor personen met een lichte tot matige mentale handicap, en al 15 jaar in Borgerstein. ’Ja, ik ben echt al een ancien. En dat voor iemand die helemaal niet op dit soort werk uit was. Ik had eerder gedacht aan een baan in de een of andere personeelsdienst. Maar ik ben hier op stage gekomen en het klikte. Dat is typisch voor dit soort werk, denk ik: je kunt zoveel theorie hebben gekregen als je wilt, uiteindelijk moet je het doen om te weten of het je ligt.’
’Het werk spreekt me vooral aan omdat het met mensen is en omdat er vooruitgang in zit. Je ziet de bewoners soms echt openbloeien. Een voorbeeld? We hebben hier verschillende bewoners die een relatie hebben met elkaar. Over één van die beginnende koppels hebben we vijf jaar geleden echt nog zware discussies gehad: of het eigenlijk een goed idee was dat ze in een relatie stapten, en pasten ze wel bij elkaar? Want in het begin was die bewoonster echt nog een meisje. We gaven haar seksuele opvoeding, en ze was gechoqueerd door wat ze allemaal hoorde. Maar kijk: we zijn nu vijf jaar verder, ze zijn nog altijd bij elkaar, en die bewoonster is echt een vrouw geworden: veel volwassener dan toen.’
’Dat is het moeilijkste aan dit werk, denk ik: je eigen vooroordelen opzij zetten, de bewoners niet betuttelen. Toen hier vijf jaar geleden een aantal mensen kwam die tevoren zelfstandig hadden geleefd, werden veel van onze kleine regeltjes en vooroordelen vlug op losse schroeven gezet. Die nieuwe bewoners liepen zélf naar de microgolf om hun eten klaar te maken in plaats van dat aan ons te vragen. En het ging perfect. Waardoor de andere bewoners óók de microgolf begonnen te bedienen. Onder meer door dergelijke gebeurtenissen zijn we een veel individueler aanpak gaan hanteren. Vroeger - ik spreek nu van tien jaar geleden of meer - had je één regel voor iedereen, en dat was dat. Nu kijken we veel meer naar de persoon zelf: wat kan die en wat niet? Dat geeft wel meer conflicten natuurlijk: de ene mag alleen op café, de ander moet een begeleider bij zich hebben. Maar daar wordt dan over gepraat.’
Niet dat conflicten altijd zo elegant worden opgelost. ’We hebben heel wat agressie in de groep. Onze bewoners zijn verbaal en slim genoeg om ruzie te maken en zich uit te drukken, maar ja: ze kunnen niet toegeven. En dan vallen er af en toe klappen. Alle opvoeders hebben een cursus gevolgd met technieken om fysieke agressie op te vangen en we hebben die al nodig gehad ook. Enfin, dat is nóg een voordeel van zo’n grote instelling: als er problemen zijn, is er altijd genoeg volk in de buurt om te helpen.’