Wonen

Om te kunnen wonen, is het belangrijk dat:

Om te kunnen wonen, is het belangrijk dat:

  • de woning bereikbaar is; Een woning is bereikbaar als er geen hindernissen op de weg naar de ingang zijn zoals een hoge stoeprand, een oneffen of te smal toegangspad of een hoogteverschil.
  • de woning toegankelijk is; Een woning is toegankelijk als ze kan betreden en verlaten worden. Dat wil zeggen dat de bewoners de deur kunnen openen en sluiten en door de deuropening kunnen passeren.
  • de woning bruikbaar is. Een woning is bruikbaar als alle nodige woonruimtes kunnen bereikt worden, alle nodige woonruimtes kunnen betreden worden en in die ruimtes de nodige activiteiten kunnen uitgevoerd worden.

De woning moet bereikbaar zijn

Een woning is bereikbaar als er geen hindernissen op de weg naar de ingang zijn zoals een hoge stoeprand, een oneffen of te smal toegangspad of een hoogteverschil.

Als blijkt dat de gebruikelijke ingang niet bereikbaar is of kan gemaakt worden, kan bekeken worden of er een andere ingang bereikbaar is of kan gemaakt worden. Bijvoorbeeld via de garage of via een achteringang (vb. via een andere straat). Als dat onmogelijk is, is een andere woning kiezen de enige optie.

Als de woning via de stoep bereikt moet worden met een rolstoel, moet er een verlaagde toegang zijn tot de stoep en moet de stoep berijdbaar zijn. Dat wil zeggen dat de stoep breed genoeg moet zijn en vlak en dat er geen voorwerpen in de weg mogen staan zoals verkeersborden, plantenbakken … Voor iedereen met een mobiliteitsbeperking die zich stappend verplaatst, eventueel met een loophulpmiddel zoals een stok of een looprekje, moet de stoep beloopbaar zijn. Dat wil zeggen dat de stoep vlak moet zijn en dat er geen voorwerpen in de weg mogen staan. Aanpassingen aan de stoep, moeten uitgevoerd worden door de bevoegde instanties van de gemeente. Dat kan niet altijd, en moet dus goed nagevraagd worden.

Als de woning via een toegangspad (oprit, voortuin) moet bereikt worden, moet het pad naar de deur beloopbaar/berijdbaar zijn:

  • minimum 90 cm, optimaal 120 cm breed voor een rolstoelgebruiker
  • met een effen, stroeve wegbedekking: houd rekening met de weersomstandigheden

Mogelijks staan er voorwerpen zoals bloempotten in de weg, of kan het pad verbreed worden, geëgaliseerd worden of voorzien worden van een andere wegbedekking.

Als de woning via een hoogteverschil moet bereikt worden, moeten de oplossingen om een hoogteverschil te overbruggen, bekeken worden.

Opmerking: om de ingang van een appartement in een appartementenblok te bereiken, moeten meestal meerdere deuren en ruimtes gepasseerd worden.

De woning moet toegankelijk zijn

Een woning is toegankelijk als ze kan betreden en verlaten worden. Dat wil zeggen dat de bewoners de deur kunnen openen en sluiten en door de deuropening kunnen passeren.

Let op: vanuit de inkom moeten de andere woonruimtes kunnen bereikt worden. Als er bijvoorbeeld gekozen wordt om de woning te betreden via de garage, moet er op gelet worden dat de bewoners vanuit de garage in de rest van het huis geraken.

Als blijkt dat de woning niet toegankelijk is of kan gemaakt worden, is een andere woning kiezen de enige optie.

Opmerking: de bewoner moet ergens ook zijn jas kunnen weghangen, een rolstoel achterlaten ...

Voor wie problemen heeft om deuren te openen en te sluiten, bestaan er verschillende oplossingen (zie deur).

Om door een buitendeur te kunnen passeren met een rolstoel of met een begeleider, is de deuropening bij voorkeur 90 cm breed. Een breedte van 85 cm is soms voldoende maar maakt het binnenrijden minder vlot, en vergroot de kans dat er tegen de deurstijl gereden wordt. Bij nieuwbouw is het aangewezen deuren met een deurblad van minstens 93 cm te voorzien.

Vaak is er naast een buitendeur een paneel (glazen, houten …) gemonteerd. In zo’n geval is de latei (draagbalk) die de muur boven de deur ondersteunt, breed genoeg om zonder problemen een bredere deur te plaatsen.

Voor een rolstoelgebruiker moet aan de slotzijde van de deur ook minstens 50 cm opstelruimte zijn. Opstelruimte is een zone die volledig vlak is en vrij van obstakels. Ze geeft een rolstoelgebruiker de mogelijkheid zich op te stellen om een handeling uit te voeren.

Als er onvoldoende opstelruimte is aan de slotzijde van de buitendeur omdat de deur verkeerd draait, kan bekeken worden of de draairichting van de deur kan veranderd worden: draaien naar de andere ruimte toe of draaien naar de andere kant van de deurstijl toe. Een draairichting van een deur veranderen, is meestal gemakkelijk en goedkoop, maar niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld door plaatsgebrek in de ruimte of als het deurblad hindert in de ruimte.

Als de draairichting van de deur veranderen geen oplossing is, kan nagegaan worden of de deur geautomatiseerd kan worden.

De woning moet bruikbaar zijn

Een woning is bruikbaar als alle nodige woonruimtes kunnen bereikt worden, alle nodige woonruimtes kunnen betreden worden en in die ruimtes de nodige activiteiten kunnen uitgevoerd worden.

Een bruikbare woning betekent dat:

  • er geen hoogteverschillen van meer dan 2 cm zijn of dat er oplossingen zijn om hoogteverschillen van meer dan 2 cm te overbruggen: zie deur en zie trap
  • de doorgangen breed genoeg zijn;
  • de bewoners de deuren kunnen openen en sluiten: zie deur;
  • de bewoners door de deuropeningen kunnen passeren: zie deur;
  • de vloerbedekking aangepast is: zie vloer
  • schakelaars, stopcontacten, thermostaat en radiatorknoppen bereikbaar geplaatst zijn;
  • de ramen op de juiste hoogte geplaatst zijn;
  • de ramen kunnen geopend en gesloten worden;
  • gordijnen, rolluiken en zonneweringen kunnen geopend en gesloten worden;
  • de nodige activiteiten kunnen uitgevoerd worden: zie huishouden, wassen, verzorging ...

Vooraleer naar aanpassingen over te gaan, is het best om eerst te bekijken of de nodige ruimtes van de woning op een logische manier kunnen herschikt worden.

Logische schikking van woonruimtes

Het toilet moet gemakkelijk bereikbaar zijn vanuit de leefruimte, de slaapkamer of andere vaak gebruikte ruimtes. De afstand tot het toilet mag niet te groot zijn en er zijn bij voorkeur geen hoogteverschillen, moeilijke doorgangen of obstakels op het traject. Een rolstoeltoegankelijk toilet integreren in de badkamer is makkelijker omdat de badkamer meestal groter is dan een aparte toiletruimte. Bovendien worden de verzorgende activiteiten gecentraliseerd in één ruimte.

De slaapkamer bevindt zich bij voorkeur in de directe buurt van de badkamer, eventueel rechtstreeks toegankelijk via een tussendeur. Dat beperkt de afstand en maakt het gebruik van een tiltoestel of een verrijdbare verzorgingstafel gemakkelijker.

Breedte van de doorgangen in een woning

  • de breedte van de gang :
    • minstens 90 cm voor een rolstoelgebruiker en voor een persoon die zich verplaatst met een begeleider. 120 cm breed is beter; zo kan een begeleider naast de rolstoelgebruiker stappen of kan de rolstoelgebruiker gekruist worden.
  • de breedte van het sas (= ruimte waarin meerdere deuren uitkomen) :
    • draaicirkel van 150 cm voor een manuele rolstoelgebruiker
    • draaicirkel van 170 cm voor een elektronische rolstoelgebruiker
    • een transfer met begeleider moet op een correcte en veilige manier kunnen uitgevoerd worden
  • de breedte van een diagonale doorgang (geen te scherpe bochten)haaks verloop van doorgangruimtes

Schakelaars, stopcontacten, thermostaat en radiatorknoppen

Lichtschakelaars moeten voor een rolstoelgebruiker gemonteerd worden:

  • tussen 85 cm en 120 cm hoogte
  • minimum 50 cm uit inwendige hoeken
  • aan de slotzijde van de deur
  • naast elke toegang tot een andere ruimte

Frequent gebruikte stopcontacten moet voor een rolstoelgebruiker gemonteerd worden:

  • tussen 85 cm en 120 cm hoogte
  • minimum 50 cm uit inwendige hoeken

Vaste stekkerpunten moeten voor een rolstoelgebruiker op minimum 40 cm hoogte geplaatst worden.

Per muurlengte van 3 m moet één dubbel stopcontact voorzien zijn.

De thermostaat moet voor een rolstoelgebruiker gemonteerd worden:

  • tussen 85 cm en 120 cm hoogte
  • minimum 50 cm uit inwendige hoeken

Radiatorknoppen moeten voor een rolstoelgebruiker gemonteerd worden:

  • op minimum 40 cm hoogte t.o.v. het vloerniveau
  • lager dan 120 m hoogte t.o.v. het vloerniveau
  • minimum 50 cm uit inwendige hoeken

Problemen met de bediening van verwarming, verlichting, apparaten … kunnen opgelost worden met omgevingsbediening (zie omgevingsbediening) of met domotica. Opgelet: dergelijke systemen vereisen andere schakelaars of een andere bekabeling.

Ramen

Om vanuit een rolstoel gemakkelijk door het raam te kunnen kijken, mag een vensterbank niet hoger zijn dan 70 cm en op een verdieping niet hoger dan 60 cm.

Om vanuit een rolstoel gemakkelijk een raam te kunnen openen en sluiten, worden handgrepen best aan de onderkant van het raam gemonteerd, ca. 90 cm boven de vloer en uit de hoek.

Personen die problemen hebben om een raam te openen, kunnen gebruik maken van een raamopener.

Een raamopener is een hulpmiddel om het raam te openen en te sluiten als dat niet met de hand kan gebeuren. Er bestaan mechanische en elektrische raamopeners:

  • Mechanische raamopeners worden met de hand bediend. Het is een verlengstuk dat gebruikt wordt wanneer de persoon het bedieningselement niet kan bereiken, bijvoorbeeld omdat het raam te hoog zit of omdat de persoon vanuit de rolstoel niet bij de bediening kan. Een mechanische raamopener is niet voor elk type raam bruikbaar!
  • Elektrische raamopeners bestaan uit een op het raam geplaatste motor die bediend wordt met een drukknop op de wand of via of een bijgeleverde afstandsbediening. Als de bijgeleverde afstandsbediening niet bruikbaar is, zijn er verschillende oplossingen om de raamopener te bedienen via omgevingsbediening.(zie omgevingsbediening).

Gordijnen, rolluiken of zonneweringen openen en sluiten

Gordijnen, rolluiken of zonneweringen kunnen geëlektrificeerd worden door het plaatsen van een opener/sluiter (motor) en een bedieningssysteem (schakelaar of een bijgeleverde afstandsbediening). Als de bijgeleverde afstandsbediening niet bruikbaar is, zijn er verschillende oplossingen om de opener te bedienen via omgevingsbediening.(zie omgevingsbediening).

traplift

Een traplift is een stoeltje of een sta-platform voor één persoon dat langs rails de helling van de trap volgt. Die rails kunnen in de muur of op de treden aan de binnen- of de buitenkant van de trap bevestigd worden. De persoon bedient de traplift. Een start-stopsysteem doet de traplift automatisch stoppen boven en onder aan de trap.

De persoon moet:

  • vlot de transfer naar de traplift kunnen maken, zelfstandig of met behulp van derden;
    • Een rolstoelgebruiker moet tijdens de transfer even kunnen staan. De zithoogte van de traplift is immers minstens 10 cm hoger dan de zithoogte van de rolstoel.
  • zelfstandig de traplift kunnen bedienen;
  • veilig en actief op het stoeltje van de traplift kunnen blijven zitten.

Alleen een leverancier die ter plaatse komt kijken, kan oordelen of er een traplift kan geplaatst worden:

  • De trap moet minstens 70 cm breed zijn (63 cm voor staand vervoer).
  • De rail moet kunnen verankerd worden in de muur of op de treden.
  • De traphelling mag maximaal 70 ° bedragen.
  • De traplift moet voldoende ver kunnen doorlopen aan de start- en stopplaats.

Een traplift valt onder de machinerichtlijn.

Soort trap en transferwijze

Op een rechte trap wordt een traplift geplaatst met een aluminium rail. Op een trap met bochten wordt een traplift geplaatst met een stalen of inox rail.

Let op:

  • Als een rolstoelgebruiker een transfer maakt van en naar de traplift, wordt de traplift zwaarder belast dan wanneer een persoon met stap- of steunfunctie de transfer uitvoert.
  • Als de persoon de transfer niet of niet veilig kan uitvoeren bij het begin van de trap, maar iets verderop wel, kunnen een horizontale uitloop of een parkeerbocht een oplossing bieden. De rail van de traplift loopt dan onder- of bovenaan door zodat de traplift verder kan rijden en de transfer verderop kan uitgevoerd worden.
  • Voor een veilige transfer, moet het stoeltje kunnen wegdraaien van de trap. Vaak kan het stoeltje van een traplift maar in één richting draaien. Als de transfer moeizaam verloopt of als de ruimte beperkt is, moet het stoeltje zowel aan het start- als aan het eindpunt kunnen draaien. In dat geval kan een elektrisch draaibaar stoeltje geplaatst worden.
  • Als de traplift gemonteerd moet worden op een buitentrap, moet de buitenuitvoering van de traplift geplaatst worden. Die is aangepast aan gebruik in openlucht.

Zitten/staan op het stoeltje/platform

Als een persoon niet kan gaan zitten op de traplift tijdens de verplaatsing (bijv. door een flexiebeperking in de heup of de knie), kan de traplift aangepast worden voor staand gebruik. Het zitje wordt aangepast en hoger geplaatst zodat de persoon in ‘gesteunde stand’ naar boven en beneden kan vervoerd worden. Er moet een aangepaste beveiliging voorzien worden. Een traplift voor staand gebruik is niet veilig voor personen met een evenwichtsprobleem of voor personen die niet stabiel kunnen staan.

Voor kinderen zijn speciale aangepaste stoeltjes verkrijgbaar. Die stoeltjes zijn bruikbaar tot een bepaalde leeftijd, grootte en gewicht van het kind.

Een traplift heeft een standaard hefvermogen tot 120 kg. Voor zware personen bestaan er trapliften met een hefvermogen tot 180 kg.

Bediening

Om een traplift te kunnen gebruiken, moet de persoon permanent op een knop kunnen drukken. Dat kan een vasthoudknop zijn, of een joystick als de persoon onvoldoende kracht of handfunctie heeft om de vasthoudknop ingedrukt te houden. Als een kind met een traplift moet vervoerd worden, moet een volwassene de traplift bedienen met een afstandsbediening.

De zit van een traplift moet standaard manueel gedraaid worden. De beweging wordt ingeleid door een lichte beweging van de benen via een hendel opzij van de zitting, nadat de traplift manueel ontgrendeld is. Als de persoon door pijn of krachtverlies de stoel niet manueel kan laten draaien, kan de traplift voorzien worden van een elektrisch draaiende stoel. Zo’n stoel draait ongeveer 90 ° weg van het trapgat om de gebruiker veilig op en af te laten stappen.

Montagemogelijkheden

De rail wordt meestal gemonteerd op de treden. Als dat niet kan, kan er gekozen worden voor montage aan de muur.

Als er een deur uitkomt op het bordes, kan de traplift enkel gemonteerd worden op de binnenbocht.

Als de traplift over meerdere verdiepingen op de binnenbocht moet gemonteerd worden, is een langere rail nodig dan standaard.

Breedte van de trap

Als een trap te smal is, kan er gekozen worden voor een elektrisch draaiend zitje zodanig dat de persoon in de rijrichting van de trap komt te zitten. De persoon gaat dus ruggelings en niet zijdelings naar boven en naar beneden. Let op: de persoon moet de traplift gebruiken in de ‘rijrichting’ en daarbij in de diepte kijken. Niet iedereen durft dat. De gebogen leuningen en de gordel geven de gebruiker wel een extra veiligheidsgevoel.

Circulatieruimte onder en boven aan een trap

Wanneer de rail de vrije doorgang van een deur hindert of de circulatieruimte beperkt onder of boven aan de trap, kan de traplift voorzien worden van een elektrisch opklapbare rail. Dat is een deel van de rail dat automatisch opklapt wanneer de traplift geparkeerd is. Opmerking: bij een traplift met een enkele rail is die aanpassing niet nodig. De rail wordt in zo’n situatie onmiddellijk naar de vloer toe gebogen.

Producten