Gedachtewisseling in de Commissie Welzijn

Op 20 februari 2018 vond in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin een gedachtewisseling plaats over de stand van zaken van de persoonsvolgende financiering. Welke cijfers kunnen een jaar na de overgang op 1 januari 2017 worden voorgelegd? Welke transities zijn lopende en welke vorm gaan ze in de toekomst aannemen?

Regelmatig krijgen de leden van de Commissie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin toelichting bij de invoering van de persoonsvolgende financiering (hier vindt u een beknopt verslag van de besprekingen in de Commissie op 18 april, op 20 juni en op 17 oktober 2017). Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen en de administrateur-generaal van het VAPH, James Van Casteren, wisselden op 20 februari 2018 opnieuw van gedachten met de commissieleden over de eerste jaarcijfers van de persoonsvolgende financiering, de bijzondere aandachtspunten bij de drie lopende transities en de aanpak van de geplande evaluatie.

Het eerste jaar persoonsvolgende financiering in cijfers

Meerderjarigen met een handicap kunnen ondersteund worden via een zorgbudget voor mensen met een handicap (basisondersteuningsbudget), hulpmiddelen en aanpassingen, rechtstreeks toegankelijke hulp of niet-rechtstreeks toegankelijke ondersteuning, hoofdzakelijk onder de vorm van een persoonsvolgend budget (PVB). 

In 2017:

  • hadden 14.080 personen een basisondersteuningsbudget;
  • kregen 22.548 personen een terugbetaling in kader van hulpmiddelen en aanpassingen;
  • gebruikten 23.400 cliënten (waarvan 12.000 meerderjarigen) rechtstreekse toegankelijke ondersteuning;
  • waren er ongeveer 24.200 budgethouders PVB.

 Er werden in 2017 heel wat persoonsvolgende budgetten ter beschikking gesteld:

  • 85 % van de voor PVB beschikbare middelen werd besteed aan budgetten voor personen met een handicap die onmiddellijk een persoonsvolgend budget (PVB) nodig hadden:
    • 318 PVB noodsituatie
    • 315 tijdelijke PVB na noodsituatie, 176 definitieve PVB na noodsituatie
    • 108 PVB maatschappelijke noodzaak
    • 110 PVB spoedprocedure
    • 195 PVB zorgcontinuïteit MFC
    • 1 PVB zorgcontinuïteit PAB
    • 43 automatisch verhoogde PVB ter vervanging van de PVB die tijdelijk ter beschikking gesteld werden op basis van de vertaalde CRZ-vraag
  • 15 % van de voor PVB beschikbare middelen ging naar personen met een handicap voor wie de zorgvraag in een prioriteitengroep werd ingedeeld: 263 persoonsvolgende budgetten werden ter beschikking gesteld aan de langst wachtenden binnen de drie prioriteitengroepen:
    • prioriteitengroep 1: 80 %
    • prioriteitengroep 2: 5 %
    • prioriteitengroep 3: 15 %

Op 5 januari 2018 zijn er 14.207 wachtenden met een vraag in een van de drie prioriteitengroepen:

  • 848 in prioriteitengroep 1
  • 492 in prioriteitengroep 2 
  • 12.914 in prioriteitengroep 3

In 2017 kwamen er 739 nieuwe budgethouders persoonsvolgend budget bij. 90 procent van die nieuwe budgethouders is intussen gestart met zijn budget.

Vandaag zijn er in totaal ongeveer 24.200 budgethouders PVB. De meesten van hen hebben hun PVB ter beschikking gesteld gekregen op basis van een vertaling van hun vroegere gebruik van zorg in natura. Dat blijkt nog steeds duidelijk uit de besteding: de meeste budgethouders zetten hun PVB volledig in voucher in bij een door het VAPH vergunde zorgaanbieder. 16 procent van alle budgethouders vraagt het vrij besteedbaar deel op. 

Net als de voorbije jaren stelt de Vlaamse Regering ook in 2018 een aanzienlijk bedrag bijkomende middelen beschikbaar om het beleid voor personen met een handicap uit te voeren. Het VAPH voegt die middelen toe aan de middelen die vrijkomen door reguliere uitstroom (stopzetten van de ondersteuning of overlijden van de betrokken persoon) en zet de middelen vervolgens gespreid over het jaar in om bijkomende persoonsvolgende budgetten ter beschikking te stellen voor meerderjarigen. Voor minderjarigen worden de middelen van het uitbreidingsbeleid vooral gebruikt om extra persoonlijke-assistentiebudgetten (PAB’s) toe te kennen. Uitstroom uit multifunctionele centra leidt tot ‘open plaatsen’ die ingevuld kunnen worden door wachtende minderjarigen. Uitstroom uit PAB’s wordt gebruikt om nieuwe PAB’s toe te kennen.

Transitie 1: omschakeling naar een persoonsvolgende financiering

Op 1 januari 2017 werd de persoonsvolgende financiering ingevoerd. Alle voormalige gebruikers van de centra flexibel aanbod meerderjarigen (FAM) en van de diensten voor thuisbegeleiding werden daardoor ofwel naar rechtstreeks toegankelijke hulp (RTH) toegeleid - voor zij die minder intensief en frequent gebruik maakten van zorg en ondersteuning - of kregen een persoonsvolgend budget (PVB) ter beschikking gesteld.

Zorgcontinuïteit in bijzondere omstandigheden

De budgetten van de voormalige cliënten zorg in natura werden bepaald op basis van een situatieschets die genomen werd op 31 maart 2016. Nadat het VAPH de in- en uitstroom van cliënten tussen 1 april en 31 december 2016 in kaart had gebracht en bijkomend materiaal had verzameld, werd in januari 2018 nog een correctie van de budgetten doorgevoerd.

Daarnaast zijn er een aantal maatregelen genomen om tegemoet te komen aan de bekommernissen van ouders en familieleden die nog heel wat informele zorg opnemen in weekends en vakantieperiodes.

Zo werd in het kwaliteitsbesluit bepaald dat vergunde zorgaanbieders flexibel moeten inspelen op plotse, tijdelijke en beperkte meervragen van hun cliënten. Bijvoorbeeld wanneer de moeder die doorgaans haar zoon met verstandelijke handicap in het weekend thuis opvangt, ziek is. Daarnaast wordt, net als vroeger, opnieuw de mogelijkheid tot ‘logeren’ of ‘kortopvang’ geboden, en dat bovenop het persoonsvolgend budget voor zover dat budget uiteraard nog geen verblijf mogelijk maakt. 

Feitelijke, structurele meervragen (bv. de cliënt moet voortaan elke week ook op zaterdag in de voorziening kunnen verblijven) vereisen een herziening van het persoonsvolgend budget. Tenzij er werkelijk een noodsituatie optreedt, moeten die meervragen in een prioriteitengroep ingedeeld worden. Daarop wordt voortaan een bijkomende uitzondering geboden: de procedure om automatisch het persoonsvolgend budget van vijf dagen op zeven te verhogen naar zeven dagen op zeven.

Transitie 2: gelijkwaardige budgetten voor gelijkwaardige profielen

Bij de omschakeling van het oude, direct gefinancierde systeem naar het nieuwe persoonsvolgende financieringssysteem werden de budgetten van de voormalige cliënten bepaald op basis van de middelen waarover ze in 2016 beschikten (PAB, PGB) of op basis van de zorg en ondersteuning die ze in 2016 genoten (zorg in natura). Daardoor werden de historische verschillen en ongelijkheden echter mee vertaald in de nieuwe persoonsvolgende budgetten. Die historische verschillen zullen geleidelijk aan weggewerkt worden in de periode 2018 - 2022. Tegen 2023 moet elke cliënt, ongeacht of hij de nieuwe procedure heeft doorlopen, zijn budget via transitie PAB of transitie ZIN heeft gekregen en vooral ook ongeacht de voorziening waarvan hij gebruik maakte, beschikken over een PVB dat rekening houdt met zijn zorggebruik en zijn zorgzwaarte.

  • In een eerste correctiefase worden op relatief korte termijn (vanaf juli 2018) de grootste, nog bestaande, historische verschillen tussen voorzieningen weggewerkt. De individuele cliënten in de voorzieningen met de grootste historische achterstand wil het VAPH al minstens 85 procent van hun ingeschatte budget garanderen.
  • In een tweede correctiefase zal het VAPH voor alle zorggebruikers een budget op maat bepalen. Professionele inschalers schalen de zorgvraag en de zorgzwaarte objectief in, waarna een definitief budget op maat wordt bepaald. Dat aangepaste budget wordt telkens op 1 januari of 1 juli volgend op de budgetbepaling ter beschikking gesteld, met een minimum van 3 maanden tussen budgetbepaling en terbeschikkingstelling. 

Transitie 3: veralgemeende invoering woon- en leefkosten

In 2017 is er gestart met de loskoppeling van woon- en leefkosten van de effectieve zorgkosten. Het nieuwe systeem van woon- en leefkosten leidt soms tot ongerustheid.  Er worden extra beschermingsmaatregelen ingebouwd, zodat in de periode van de transitie (dus tot en met 2020) de prijzen die de vergunde zorgaanbieder voor de woon- en leefkosten aanrekent, niet substantieel verschillen van de vroegere ‘eigen bijdrage’ en de aangerekende supplementen. Ook zal een vergunde zorgaanbieder pas mogen omschakelen naar het nieuwe systeem als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet en een weldoordacht plan van aanpak voorlegt aan het VAPH.

Persoonsvolgende financiering voor minderjarigen

In 2017 is er een taskforce opgericht om ook de persoonsvolgende financiering voor minderjarigen met een handicap voor te bereiden. De taskforce vertegenwoordigt de verschillende stakeholders en is intersectoraal samengesteld om de persoonsvolgende financiering zo goed mogelijk te kunnen afstemmen op andere evoluties in de jeugdhulpsector.

In 2019 staat al een beperkte uitrol van persoonsvolgende financiering voor minderjarigen gepland. Die wordt op dit moment nog voorbereid. Er wordt voorkeur gegeven aan een geleidelijke en gefaseerde uitrol, bijvoorbeeld door te vertrekken vanuit bepaalde leeftijdsgroepen.

Evaluatie van de persoonsvolgende financiering

De evaluatie van de persoonsvolgende financiering wordt onmiddellijk gekoppeld aan de evaluatie van de doelstellingen van het Perspectiefplan 2020. Concreet wordt geëvalueerd hoe goed er voldaan is aan de twee globale doelstellingen van ‘vraaggestuurde zorg voor geïnformeerde gebruikers’ en ‘zorggarantie’.

De evaluatie wordt opgehangen aan een achttal inhoudelijke clusters en wordt uitgevoerd aan de hand van intern onderzoek door het VAPH zelf, onderzoek uitgevoerd door experts die aan de slag gaan met materiaal van het VAPH en extern uitbesteed onderzoek. De evaluatie zal zowel kwantitatieve, cijfermatige analyses omvatten als meer kwalitatief onderzoek. 

Gedurende de evaluatieperiode wil het VAPH parallel een panel van deskundigen inschakelen die de invoering van persoonsvolgende financiering kritisch en vanuit diverse invalshoeken zullen benaderen. Zowel wetenschappers uit de eigen sector die gespecialiseerd zijn in gehandicaptenzorg, als wetenschappers die vanuit een bestuurskundig en financiële invalshoek kijken, deskundigen met kennis van het VN-verdrag en mensenrechten (juristen, economen, sociologen, pedagogen, psychologen …).