Wanneer welke module indienen, vergoeding, overmacht

Objectivering van de handicap

In module A objectiveert u de handicap.

Objectivering van de ondersteuningsnood

In module B objectiveert u de ondersteuningsnood.

Verstandelijke handicap

1. Wat is een verstandelijke handicap?

Een verstandelijke handicap, zoals gedefinieerd in de DSM-V en omschreven in het Classificerend Diagnostisch Protocol (CPD, 2017), is een stoornis die ontstaat tijdens de ontwikkelingsperiode en die zowel beperkingen in het intellectueel functioneren omvat als beperkingen in het adaptief functioneren op conceptueel, sociaal en praktisch vlak (American Psychiatric Association, 2013).

Voor de diagnose verstandelijke beperking moet voldaan worden aan drie criteria:

  • het intelligentiecriterium: de persoon heeft een duidelijke beperking (IQ 70 of lager) in het intellectueel functioneren. Bij zeer jonge kinderen wordt dat bepaald op basis van een inschatting, via observatie of via bepaling van het ontwikkelingsniveau/ontwikkelingsquotiënt, waarbij men verstandelijk significant onder het gemiddelde functioneert).
  • het criterium adaptief gedrag: de persoon ondervindt gelijktijdig aanwezige tekorten in of beperkingen van het huidig aanpassingsgedrag. Bijgevolg slaagt de betrokkene er niet in te voldoen aan de standaarden die bij zijn of haar leeftijd verwacht kunnen worden binnen zijn of haar culturele achtergrond.
  • het ontwikkelingscriterium: de beperkingen moeten voor het 18e levensjaar begonnen te zijn. Er is dus sprake van een ontwikkelingsstoornis.

De sociaal-ecologische visie stelt dat een beperking van een persoon wijst op een bepaalde manier van functioneren van die persoon in zijn dagelijkse leefsituatie. Verstandelijke handicap wordt niet louter gezien als een stoornis in het cognitief functioneren, maar wel als een behoefte om ondersteuning te krijgen bij het uitvoeren en deelnemen aan activiteiten. Het functioneren van de persoon wordt steeds gezien als een wisselwerking tussen de persoon en zijn omgeving, waarbij er heel wat persoonlijke (bv. leeftijd, geslacht, enz.) en externe (bv. mogelijke hulpmiddelen) factoren van invloed kunnen zijn op het functioneren. Belangrijk is dat bij personen met een (vermoeden van) verstandelijke beperking ook alle componenten in kaart worden gebracht met aandacht voor de sterktes van de betrokkene.

De ernst van de verstandelijke handicap wordt onderverdeeld in:

  • licht (IQ 50-55 tot 70-75)
  • matig ((IQ 35-40 tot 50-55)
  • ernstig (IQ 20-25 tot 35-40)
  • diep (IQ lager dan 20-25)

Personen met een IQ tussen 70-75 en 85-90 behoren in principe niet tot de groep van mensen met een verstandelijke handicap, maar worden als ‘zwakbegaafd’ aangeduid.

2. Wijze van diagnosestelling

De diagnose van een verstandelijke handicap wordt gesteld op basis van multimodaal onderzoek, waarbij onder andere de intelligentie bepaald moet worden. Voor een meer uitgebreide beschrijving van het diagnostisch onderzoek en de onderzoeksmiddelen: cfr. classificerende diagnostische protocollen (CDP) Verstandelijke handicap.

Intelligentie wordt gemeten door het afnemen van een intelligentietest en wordt uitgedrukt in een intelligentiequotiënt (IQ). Als men de hele bevolking volgens IQ zou rangschikken krijgen we ongeveer een zogenaamde ‘normale verdeling’ of Gausscurve. De oppervlakte onder de curve geeft aan hoeveel procent van de bevolking zich in dat gebied bevindt. Mensen met een IQ van minder dan 70 zouden dus statistisch 2.27 % van de bevolking uitmaken.




Voor de ondergrens matige, ernstige en diep verstandelijke handicap differentiëren de IQ-testen niet goed. In dat geval is het aangewezen om een schaal voor de sociale redzaamheid en sociaal-emotionele ontwikkeling af te nemen.

 

3. Toetsing aan de definitie van handicap

Bij de beoordeling van de (verstandelijke) handicap moet men zich steeds houden aan de problematiek van de persoon. Iemand met een licht verstandelijke handicap die functioneert op niveau van iemand met een matige verstandelijke beperking, blijft in aanleg wel een persoon met een licht verstandelijke handicap die natuurlijk wel omwille van bijkomende problemen nood kan hebben aan een hogere vorm van ondersteuning.

Personen met een randnormale/zwakbegaafde intelligentie behoren in sé niet tot de doelgroep van het VAPH, ook al hebben zij aantoonbare beperkingen op meerdere gebieden in het dagelijks functioneren. Er wordt bij de beoordeling echter rekening gehouden met een standaardfout, wat betekent dat een IQ hoger dan 70 niet als absoluut uitsluitingscriterium gehanteerd wordt voor ondersteuning door het VAPH o.b.v. een verstandelijke handicap. Bij personen van wie de IQ-score zich in de ondergrens van de zone van zwakbegaafdheid situeert, moeten evenwel duidelijke tekorten of beperkingen van het adaptief gedrag aangetoond worden.

Functioneren op een lager verstandelijk niveau (lager scoren op een intelligentietest), louter omwille van andere problemen of omwille van verworven stoornissen (bv. NAH) geeft in principe geen recht op een erkenning verstandelijke handicap.

Een specifieke subgroep betreft allochtone personen die op een lager cognitief niveau functioneren. Men moet nagaan of de persoon in kwestie voldoet aan de 3 criteria van verstandelijke handicap:

  • verstandelijk duidelijk onder het gemiddelde functioneren: Het testonderzoek moet uitgevoerd worden met een geschikte test. Het afnemen van een test voor kinderen (bv. SON-R (5,5 jaar - 17 jaar) bij volwassen allochtone personen is niet geschikt. Het advies is om een cultuurvrije test af te nemen (bv. de COVAAR II), eventueel aangevuld met subtests of schalen van een test voor volwassenen met een goed kwaliteitslabel (bv. de performantieschaal van de WAIS-III), eventueel met ondersteuning van een tolk.
  • gelijktijdig aanwezige tekorten in of beperkingen van het huidige aanpassingsgedrag: De tekorten op de verschillende domeinen moeten in kaart gebracht worden. Het moet gaan om het beoordelen van de vaardigheden met abstractie van de onvoldoende kennis van de Nederlandse taal.
  • begin vóór het 18e jaar: Het moet gaan om een ontwikkelingsstoornis. Wat zijn de anamnestische gegevens m.b.t. de schoolloopbaan en eventuele (beroeps)activiteiten? Werd betrokkene in zijn land van herkomst als een persoon met een verstandelijke handicap beschouwd?

Kwaliteitseisen diagnostiek

IQ - testen
De definitie van verstandelijke handicap steunt voor een groot stuk op een meting van de intelligentie uitgedrukt in een ‘intelligentiequotiënt (IQ)’. De meest betrouwbare IQ-tests zijn de WPPSI-III, WISC-III, KAIT en WAIS-IV: dat noemen we de A-labels. We onderscheiden in totaal vier labels bij IQ-testen. Label A heeft steeds onze voorkeur. Tests met het label B zijn nog aanvaardbaar, maar bij label C (onvoldoende) en D (onaanvaardbaar) is grote voorzichtigheid vereist. Vooral als het gaat om nieuwe aanvragen of bepaalde doelgroepen (bv. anderstaligen) waarbij enkel sprake is van een verstandelijke handicap, is de kwaliteit van de IQ-test van groot belang, en kan vanuit het VAPH een nieuwe test gevraagd worden.

Als een test met A-kwalificatie voorhanden is, moet u kiezen voor die test. Een test met een lagere kwalificatie mag enkel gekozen worden als daarvoor een goede motivatie kan worden gegeven, bijvoorbeeld de BSID-II wegens de leeftijd of het functioneringsniveau van de cliënt, of bijvoorbeeld de COVAAR II omwille van anderstaligheid.

 

Bij een dossier waarin sprake is van een verstandelijke handicap is het altijd belangrijk na te gaan welke test al werd afgenomen. Ook wanneer de test werd afgenomen is van belang. De IQ-test moet zo actueel mogelijk zijn. ‘Actueel’ hoeft echter niet altijd recent te betekenen. Als oudere diagnostische gegevens nog altijd een correct beeld geven van de stoornissen en beperkingen van een persoon, dan zijn ze aanvaardbaar om die stoornissen en beperkingen te objectiveren en de ondersteuningsvraag te motiveren. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn bij een persoon met een ernstig/diep verstandelijke handicap waarbij de handicap als kind werd vastgesteld en waarvoor kan gesteld worden dat die handicap blijvend is.

In sommige gevallen is het echter nodig om over recente diagnostische gegevens te beschikken om een actueel beeld te kunnen schetsen van de stoornissen en beperkingen. Dat is zo voor alle gevallen waar de persoon nog een evolutie door kan maken in zijn ontwikkeling vanaf de vroegere onderzoeksdatum. Indien het VAPH aan bepaalde diagnostische gegevens twijfelt, dan kunnen meer recente gegevens opgevraagd worden. Zeker bij grensgevallen (bv. licht verstandelijke handicap en psychiatrische antecedenten) is dat aangewezen.

Bij het vaststellen van een verstandelijke handicap moet uiteraard ook rekening gehouden worden met de socio-culturele achtergrond, alsook met eventuele andere stoornissen die het presteren kunnen beïnvloeden. Er wordt vanuit het VAPH sterk gepleit voor een vorm van procesdiagnostiek (dus geen eenmalige momentopname).

Het CHC-model
Recente ontwikkelingen binnen het domein van intelligentie brengen in de praktijk de introductie van een nieuw theoretisch model: het model van Catell, Horn en Carroll.
Dat model is een cognitief vaardigheidsprofiel en houdt in dat intelligentie meer is dan een IQ-score alleen. Verschillende cognitieve vaardigheden worden bekeken om een indicatie te kunnen geven van de aanwezige intelligentiestructuur.



Het CHC-model is een hiërarchisch geordend model dat zich voorstelt op verschillende niveaus of strata. Het algemeen IQ of algemene factor (G) is het eerste niveau, en wordt berekend uit de brede cognitieve vaardigheden (BCV) op het volgende niveau. Op hun beurt wordt elke BCV op het derde niveau bekeken door verschillende nauwe cognitieve vaardigheden (NCV) te bekijken. Het zijn die nauwe cognitieve vaardigheden die gemeten worden met intelligentie(sub)testen en die vervolgens toegang geven tot het inschatten van BCV’s en de G-factor.

Om een algemeen IQ te kunnen weergeven volgens de CHC-benadering (een zogenaamd CHC-IQ), is het verplicht om minimaal vier BCV’s weer te geven waaronder zeker Gf/Gq en Gc. Hoe meer brede cognitieve vaardigheden in kaart gebracht worden, hoe betrouwbaarder de algemene G-factor (= IQ) getoetst wordt.

Men vertrekt steeds van een goedgekeurde IQ-test, die naar believen van de psychodiagnosticus kan aangevuld worden met verscheidene BCV’s.
Resultaten van de afzonderlijke BCV’s kunnen meer uitleg verschaffen rond bepaalde probleemgebieden die eruit springen bij personen: bv. auditieve verwerkingssnelheid nagaan in het kader van leerstoornissen. Door de berekening van de BCV’s kan eventueel bijkomend een geoptimaliseerd IQ worden weergegeven, dat naast het totaal IQ van de IQ-test kan gelegd worden.

Het CHC-model introduceert en impliceert een nieuwe manier om intelligentie en cognitieve vaardigheden te bekijken, waarin de huidige goedgekeurde ‘volledige’ IQ-tests zoals die nu toegepast worden, binnen de huidige VAPH-criteria hun plaats hebben.

 

Erkenning als persoon met handicap

Als aan de criteria van verstandelijke handicap voldaan is, is er sprake van een levenslange en stabiele handicap en kan een definitieve erkenning van handicap toegekend worden. Aan de ondersteuning op zich kan echter wel een tijdsbeperking opgelegd worden. Ook bij de overgang van minderjarigheid naar meerderjarigheid moet een herindicering van de ondersteuning te gebeuren. Als er enkel sprake is van ontwikkelingsvertraging bij jonge kinderen (vermoeden van handicap) kan een tijdelijke toekenning van ondersteuning overwogen worden.

4. Gegevens Helios

Datum diagnosestelling

De datum die u moet weergeven, is de datum van de eerste diagnosestelling. Als u die datum niet kent, dan kunt u de datum van het meest recente medische verslag weergeven waarin de diagnosestelling wordt bevestigd.

Toelichting stoornis

Hier vermeldt u de diagnostische criteria als ook de IQ-gegevens van voor de leeftijd van 18 jaar als die beschikbaar zijn. Het is ook aangewezen om de beperkingen op de verschillende levensdomeinen in kaart te brengen.

IQ-bepaling

In Helios moet u in het keuzemenu selecteren of het IQ bepaald werd door een IQ-test, OQ-test of zonder test.

Quotiëntbepaling

In dit luik moet u verder toelichten hoe de quotiënt bepaald werd. Dat kan u verduidelijken door het gebruikte testmateriaal te vermelden.

Behandelingen

Om te staven dat het gaat om een langdurige en belangrijke beperking is het belangrijk dat wordt aangegeven of er al behandelingen hebben plaatsgevonden en welke behandelingen er in de toekomst nog gepland worden.Als het effectief gaat om een verstandelijke handicap, kan men stellen dat het gaat om een stabiele en levenslange handicap.