Checklist prioritering

In module C bepaalt u de prioriteitengroep via de checklist prioritering.

Vaststelling ondersteuningsbehoeften in kader van IMB

In module D bepaalt u de nood aan hulpmiddelen en aanpassingen.

Motorische beperking

Personen met een motorische beperking kunnen behoren tot de volgende algemene doelgroepen uit de hulpmiddelenfiches: 

  • personen met een matig, ernstig of volledig functieverlies 
    • in één of beide bovenste ledematen
    • in één of beide onderste ledematen
  • personen met een matig of ernstig functieverlies in rug, wervelzuil of bekken 
  • personen met anatomische afwijkingen met impact op functioneel zitten (bovenbeenamputatie, dysmelie, disproportionele dwerggroei ...)
  • personen met een ernstig verlies van de inspanningstolerantie
     

Een algemene doelgroep kan toegekend worden als de problematiek beantwoordt aan volgende voorwaarden: 

  • De stoornissen veroorzaken belangrijke en ernstige beperkingen. 
  • De stoornissen veroorzaken langdurige, definitieve beperkingen.
  • De stoornissen en daaruit volgende beperkingen veroorzaken ernstige participatieproblemen. De persoon heeft ernstige problemen om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven.

Onderstaande toetstabellen en omschrijvingen verduidelijken de beoordeling van de algemene doelgroepen uit de hulpmiddelenfiches. Deze indeling is pas van toepassing als de persoon erkend is als persoon met een handicap.
 

1. Algemene doelgroepen met een functieverlies van onderste of bovenste ledematen of rug, wervelzuil of bekken

Voor het functieverlies van ‘onderste ledematen’, ‘bovenste ledematen’ en ‘rug, wervelzuil of bekken’ en de ernstgraad ervan (matig/ernstig/volledig functieverlies), hanteert het VAPH onderstaande toetstabellen voor de beoordeling van algemene doelgroepen uit de hulpmiddelenfiches. Er is steeds onderscheid tussen een functieverlies in één of beide ledematen.

Een persoon behoort tot de algemene doelgroep die volgens de eigenschappen in de toetstabel het best overeenkomt met het functioneren van de betrokkene. Hierbij moet het globale functioneren van de persoon bekeken worden (niet enkel relevante eigenschappen voor het gevraagde hulpmiddel). Als de problemen van de betrokkene lichter zijn dan een matig functieverlies, voorziet het VAPH geen tegemoetkoming voor hulpmiddelen voor een motorische handicap. 

Per tabel kan er slechts één doelgroep (dus één rij in de tabel) het best overeenkomen met het functioneren van de persoon. Men kan bijvoorbeeld niet tegelijk een matig en een ernstig functieverlies hebben aan de onderste ledematen. Ook over verschillende aanvragen heen blijft de algemene doelgroep waartoe een persoon behoort hetzelfde, tenzij het functioneren van de persoon verandert.

Functieverlies in één of beide ledematen
De algemene doelgroep matig/ernstig/volledig functieverlies in één lidmaat is slechts van toepassing bij personen waarbij het functieverlies zich slechts in één lidmaat bevindt. In het andere lidmaat is er dan geen functieverlies. 
Bij functieverlies in beide ledematen, moet de totale beperking geëvalueerd worden die het gevolg is van het functieverlies in beide ledematen samen (ook al is de ernst van het functieverlies in de aparte ledematen niet gelijk).
Voorbeeld: Voor een persoon met een matig functieverlies in één onderste lidmaat en een volledig functieverlies in het andere onderste lidmaat, kan de algemene doelgroep ‘ernstig functieverlies in beide onderste ledematen’ van toepassing zijn (afhankelijk van de functionele beperking, nood aan gebruik van hulpmiddelen,... met de beide ledematen tesamen). 
Als er een beperking aanwezig is in de twee ledematen, moet dus de tabel van functieverlies in beide onderste/bovenste ledematen toegepast worden.

Functieverlies in beide onderste ledematen

Ernstgraad van het functieverlies 

Gebruik hulpmiddelen/aanpassingen m.b.t. activiteit ‘zich verplaatsen’

 

% verlies (ICF)

(Hou rekening met inspanningstolerantie, onbehandelbare pijn, anatomische afwijkingen die de normale  functie belemmeren.)

Grof-motorische functie

(op basis van GMFCS voor Cerebrale Parese)

Spierkracht

(Bijv. op basis van MRC schaal: scores 0-5)

Ongecontroleerde bewegingen (dystonie, choreoathetose, spasticiteit ...)

Hulp van ‘derden’, bij transfers
 

Licht

 

Loophulpmiddel (of orthese) ondersteunt, maar is niet essentieel.

5-24%

niv. 1 en 2

Beweging tegen weerstand mogelijk, maar zwakker dan normaal (MRC 4)

Soms aanwezig (minder dan 25% van de tijd)

Kan zonder steun van derden, hulpmiddelen of steunpunten

Matig

Binnenshuis: zelfstandig stappen is enkel mogelijk mits ondersteuning door derden, loophulpmiddel en/of orthese of prothese of gebruik van steunpunten in de omgeving. 

 

Buitenshuis: zelfstandig stappen over korte afstanden is enkel mogelijk mits ondersteuning door derden, loophulpmiddel en/of orthese, prothese.* 


Voor verdere verplaatsingen of als orthese/prothese niet kan gebruikt worden, is rolstoel, orthopedische driewielfiets of scooter nodig.

25-49%

niv. 3

Beweging mogelijk tegen de zwaartekracht in, maar niet tegen weerstand (MRC 3)

Frequent aanwezig (minder dan 50% van de tijd)

Enkel mogelijk mits steun van derden, hulpmiddelen of gebruik van steunpunten

Ernstig

Binnenshuis: rolstoel of scooter is noodzakelijk voor alle verplaatsingen gedurende minimaal een deel van de tijd.**


Buitenshuis: verplaatsingen zonder rolstoel of scooter zijn ernstig beperkt tot onmogelijk.**

50-95%

niv. 4

Beweging enkel mogelijk als de zwaartekracht geëlimineerd wordt (MRC 2)

Meestal aanwezig (minder dan 90% van de tijd)

Hulpmiddelen en aanpassingen nodig; persoon helpt zelf

Volledig

Binnenshuis en buitenshuis: rolstoel is noodzakelijk voor alle verplaatsingen.

96-100%

niv. 4 en 5

Geen beweging/ merkbare spieractiviteit resulteert niet in gerichte, nuttige beweging (MRC 0-1)

Altijd aanwezig

Hulpmiddelen en aanpassingen nodig; persoon zelf kan niet helpen.

 

Functieverlies in één onderste lidmaat

Ernstgraad van het functieverlies 

Gebruik hulpmiddelen/aanpassingen m.b.t. steunen op aangedane lidmaat

% verlies (ICF) 1 OL

(Hou rekening met inspanningstolerantie, onbehandelbare pijn, anatomische afwijkingen die de normale  functie belemmeren.)

Spierkracht 1 OL

(Bijv. op basis van MRC schaal: scores 0-5)

Ongecontroleerde bewegingen 1 OL (dystonie, choreoathetose, spasticiteit ...)

Licht

 

Loophulpmiddel of orthese ondersteunt, maar is niet essentieel.

5-24%

Beweging  tegen weerstand mogelijk, maar zwakker dan normaal (MRC 4)

 

Soms aanwezig (minder dan 25% van de tijd)

Matig

Steunen op het aangedane been is beperkt mogelijk. Daardoor is ondersteuning door derden, loophulpmiddel of gebruik van steunpunten nodig bij stappen.

 

Steunfunctie is mogelijk mits gebruik van orthese of prothese. In bijzondere omstandigheden of bij specifieke activiteiten waarbij orthese of prothese niet kan gebruikt worden, is steunen beperkt of niet mogelijk.

25-49%

Beweging mogelijk tegen de zwaartekracht in, maar niet tegen weerstand (MRC 3)

Frequent aanwezig (minder dan 50% van de tijd)

Ernstig Steunen op het aangedane been is vrijwel onmogelijk, ook niet met gebruik van orthese of prothese.

50-95%

Beweging enkel mogelijk als zwaartekracht geëlimineerd wordt (MRC 2)

Meestal aanwezig (minder dan 90% van de tijd)

Volledig Steunen op het aangedane been is onmogelijk, ook niet met gebruik van orthese of prothese.

96-100%

Geen beweging/merkbare spieractiviteit resulteert niet in een gerichte, nuttige beweging (MRC 0-1)

Altijd aanwezig

Functieverlies in beide bovenste ledematen

Ernstgraad van het functieverlies 

Gebruik hulpmiddelen/aanpassingen m.b.t. voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen

% verlies (ICF)

(Hou rekening met inspanningstolerantie, onbehandelbare pijn, anatomische afwijkingen die de normale  functie belemmeren.)

Spierkracht
 

Ongecontroleerde bewegingen (dystonie, choreoathetose, spasticiteit ...)

Licht

 

Hulpmiddelen/aanpassingen ondersteunen, maar zijn niet essentieel.

5-24%

Beweging tegen weerstand mogelijk, maar wel zwakker dan normaal (MRC 4)

Soms aanwezig (minder dan 25% van de tijd)

Matig

Voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen zijn enkel mogelijk mits gebruik van beperkte hulpmiddelen/aanpassingen zoals aangepaste schrijfhulpmiddelen, aangepast bestek, armondersteuning, afstandsbedieningen met grotere knoppen, aangepaste plaatsing van bedienknoppen, uitschuifbaar werkvlak, elektrificatie rolluiken.

 

Voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen zijn mogelijk mits gebruik van orthese of prothese. In bijzondere omstandigheden of bij specifieke activiteiten waarbij orthese of prothese niet kan gebruikt worden, zijn voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen niet mogelijk.

 

25-49%

Beweging mogelijk tegen de zwaartekracht in, maar niet tegen weerstand (MRC 3)

Frequent aanwezig (minder dan 50% van de tijd)

Ernstig

Voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen zijn vrijwel onmogelijk, ook niet met gebruik van orthese of prothese.

 

Ingrijpende hulpmiddelen/aanpassingen zijn noodzakelijk, ook met gebruik van orthese of prothese. Voorbeelden van ‘ingrijpende hulpmiddelen/aanpassingen’ zijn een eetapparaat en omgevingsbediening bediend via een handbediende schakelaar.

50-95%

Beweging enkel mogelijk als de zwaartekracht geëlimineerd wordt; beweging minder uitgebreid dan normaal (MRC 2)

Meestal aanwezig (minder dan 90% van de tijd)
Volledig

Voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen zijn onmogelijk zonder hulp van derden, ook niet met gebruik van orthese of prothese.

 

Om de activiteit te kunnen uitvoeren zijn ingrijpende hulpmiddelen/aanpassingen met alternatieve bedieningen nodig zoals een eetapparaat of omgevingsbediening bediend via kin-, hoofd- of oogbediende schakelaar.

96-100%

Geen beweging/merkbare spieractiviteit resulteert niet in een gerichte, nuttige beweging (MRC 0-1)

Altijd aanwezig

Functieverlies in één bovenste lidmaat

Ernstgraad van het functieverlies 

Gebruik hulpmiddelen/aanpassingen m.t.b. voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen met het aangedane lidmaat  

% verlies (ICF)

(Hou rekening met inspanningstolerantie, onbehandelbare pijn, anatomische afwijkingen die de normale  functie belemmeren.)

Spierkracht
 

Ongecontroleerde bewegingen (dystonie, choreoathetose, spasticiteit ...)

Licht

 

Hulpmiddelen/aanpassingen ondersteunen, maar zijn niet essentieel.  

5-24%

Beweging tegen weerstand mogelijk, maar wel zwakker dan normaal (MRC 4)

Soms aanwezig (minder dan 25% van de tijd)

Matig

Voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen met het aangedane lidmaat zijn enkel mogelijk mits gebruik van beperkte hulpmiddelen/aanpassingen zoals aangepaste schrijfhulpmiddelen, aangepast bestek, armondersteuning, afstandsbedieningen met grotere knoppen, aangepaste plaatsing van bedienknoppen, uitschuifbaar werkvlak, elektrificatie rolluiken.


Voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen met het aangedane lidmaat zijn mogelijk mits gebruik van orthese of prothese. In bijzondere omstandigheden of bij specifieke activiteiten waarbij orthese of prothese niet kan gebruikt worden, is manipuleren en bedienen niet mogelijk met het aangedane lidmaat.
 

25-49%

Beweging mogelijk tegen de zwaartekracht in, maar niet tegen weerstand (MRC 3)

Frequent aanwezig (minder dan 50% van de tijd)

Ernstig

Voorwerpen manipuleren en toestellen bedienen met het aangedane lidmaat zijn vrijwel onmogelijk, ook niet met gebruik van orthese of prothese. 

 

Daardoor moeten activiteiten vrijwel altijd eenhandig met de andere arm uitgevoerd worden. De aangedane zijde kan daarbij mogelijk ingeschakeld worden om steun te bieden.

 

50-95%

Beweging enkel mogelijk als de zwaartekracht geëlimineerd wordt; beweging minder uitgebreid dan normaal (MRC 2)

Meestal aanwezig (minder dan 90% van de tijd).

Volledig

Het aangedane lidmaat kan niet ingeschakeld worden, ook niet met gebruik van orthese of prothese. 

 

Alle activiteiten moeten volledig eenhandig uitgevoerd worden. De aangedane zijde kan geen steun bieden.

 

96-100%

Geen beweging/merkbare spieractiviteit resulteert niet in een gerichte, nuttige beweging (MRC 0-1)

 

Altijd aanwezig

Functieverlies in rug, wervelzuil of bekken

Ernstgraad van het functieverlies 

Gebruik hulpmiddelen/aanpassingen m.b.t. 'zitten en staand activiteiten uitvoeren'

% verlies (ICF)

(Hou rekening met inspanningstolerantie, onbehandelbare pijn, anatomische afwijkingen die de normale  functie belemmeren.)

Spierkracht
 

Ongecontroleerde bewegingen (dystonie, choreoathetose, spasticiteit ...)

Hulp van ‘derden’, inzonderheid bij transfers
 

Licht

 

Hulpmiddelen/aanpassingen ondersteunen, maar zijn niet essentieel.

 

5-24%

Beweging tegen weerstand mogelijk, maar wel zwakker dan normaal (MRC 4)

Soms aanwezig (minder dan 25% van de tijd)

Kan zonder steun, hulpmiddelen of steunpunten

Matig

Zitten of staand activiteiten uitvoeren is enkel mogelijk mits gebruik van hulpmiddelen.

Een volgehouden actieve zithouding is enkel mogelijk mits gebruik van beperkte hulpmiddelen/aanpassingen zoals een stoel met zadelzit of abductieklos en andere positioneringstoebehoren. 

Staand activiteiten uitvoeren is enkel mogelijk mits gebruik van hulpmiddelen en aanpassingen zoals een trippelstoel

 

Zitten en staand activiteiten uitvoeren is mogelijk mits gebruik van romporthese (corset). In bijzondere omstandigheden of bij specifieke activiteiten waarbij de romporthese (corset) niet kan gebruikt worden, is zittend en staand activiteiten uitvoeren niet mogelijk.

25-49%

Beweging mogelijk tegen de zwaartekracht in, maar niet tegen weerstand (MRC 3)

Frequent aanwezig (minder dan 50% van de tijd)

Enkel mogelijk mits steun van derden, hulpmiddelen of gebruik van steunpunten

Ernstig

Zitten is enkel mogelijk mits ingrijpende hulpmiddelen/aanpassingen zoals een stoel met zitschaal of zitkanteling in combinatie met diverse pelotten om een passieve zithouding te verzekeren of om ongecontroleerde bewegingen te remmen.

Staand activiteiten uitvoeren is vrijwel onmogelijk. 

 

(Dit functieverlies heeft doorgaans ook een impact op de activiteit ‘zich verplaatsen’ met een matig tot ernstig functieverlies in beide onderste ledematen tot gevolg. Kies in dat geval een doelgroep onder functieverlies onderste ledematen)

50-95%

Beweging enkel mogelijk als de zwaartekracht geëlimineerd wordt; beweging is minder uitgebreid dan normaal (MRC 2)

Meestal aanwezig (minder dan 9% van de tijd)

Hulpmiddelen en aanpassingen nodig; persoon helpt zelf

* Alhoewel een mobiliteitshulpmiddel voor vlotte en veilige verplaatsing nodig is, kiezen sommigen ervoor om zich ondanks zeer ernstige moeilijkheden stappend te verplaatsen.

** Alhoewel een rolstoel of scooter voor vlotte verplaatsing nodig is, kiezen sommigen ervoor om zich ondanks zeer ernstige moeilijkheden stappend te verplaatsen met een loophulpmiddel. Ook bijzondere omstandigheden kunnen de reden zijn waarom iemand de rolstoel niet kan gebruiken: bijvoorbeeld geen plaats voor rolstoel binnen -> rollator gebruik binnen (ondanks valprobleem), bijvoorbeeld kan rolstoel buiten niet zelf aandrijven en heeft geen assistentie ->  blijft buiten stappen met rollator ondanks valprobleem.

  • Loophulpmiddel = rollator, looprek, (krukken of stok)
  • Orthese = bijvoorbeeld enkel-voetorthese (EVO of AFO) of voetheffer, beenorthese
  • Korte afstanden = vergelijkbare afstanden met afstanden binnenshuis, bijvoorbeeld directe woonomgeving, eigen tuin, buren (minder dan 300 m)
  • Verdere verplaatsingen = verder dan de directe woonomgeving, bijvoorbeeld naar de bakker om de hoek, winkelen in een grootwarenhuis … (meer dan 300 m)
  • Deel van de tijd = dagdeel (bijvoorbeeld helft van de dag of iets minder), perioden (bijvoorbeeld meerdere maanden)
  • Situaties waarbij men de orthese/prothese niet kan gebruiken = bijvoorbeeld orthese/prothese die niet kan gebruikt worden in de badkamer en/of ‘s nachts, bijvoorbeld prothese die uitzonderlijk niet kan gebruikt worden wegens wonde aan de stomp
  • GMFCS (Grof Motorisch Functionerings Classificatiesysteem) voor kinderen en jongeren met Cerebrale Parese = een classificatiesysteem voor de grof-motorische functionele mogelijkheden van kinderen en jongeren met cerebrale parese. De GMFCS heeft 5 klassen gaande van 1 (minst aangedaan) tot 5 (meest aangedaan). 
    • Niveau 1: Loopt zonder beperkingen.
    • Niveau 2: Loopt met beperkingen.
    • Niveau 3: Hebben binnenshuis een loophulpmiddel nodig om te kunnen lopen, buitenshuis en in de woonomgeving gebruiken ze een rolstoel.
    • Niveau 4: Zichzelf onafhankelijk voortbewegen is beperkt. De kinderen en jongeren worden meestal vervoerd of maken gebruik van een elektrisch voortbewogen rolstoel. 
    • Niveau 5: Wordt vervoerd in een rolstoel.
  • MRC-spierkrachtschaal (Medical Research Council-spierkrachtschaal) = een schaal voor het manueel meten van de spierkracht. De MRC-spierkrachtschaal heeft 6 klassen gaande van 5 (normale kracht) tot 0 (geen contractie). Scores worden gegeven voor een spiergroep, bijvoorbeeld voor heupbuigers, heupstrekkers, kniebuigers, kniestrekkers ...
    • 5: Volledig bewegingsbereik tegen zwaartekracht in en tegen volle weerstand. De kracht is normaal.
    • 4: Volledig bewegingsbereik tegen zwaartekracht in en tegen enige weerstand. Soms gesplitst in 4 min als men een beetje weerstand kan uitoefenen, 4 plus als men veel weerstand kan uitoefenen (4 plus = bijna normaal).
    • 3: Volledig bewegingsbereik tegen zwaartekracht in maar zonder weerstand. Lidmaat kan opgetild worden.
    • 2: Een beweging kan men uitvoeren als de zwaartekracht opgeheven is. Lidmaat kan horizontaal bewogen (geschoven) worden op onderlaag maar kan niet opgetild worden.
    • 1: De spiercontractie is zichtbaar maar leidt tot niets. Er is geen bewegingseffect.
    • 0: Er is absoluut geen spiercontractie.
  • Ongecontroleerde bewegingen: niet alleen de frequentie maar vooral de ernst van de ongecontroleerde bewegingen is van belang. De ernst van de ongecontroleerde bewegingen uit zich voornamelijk in de nood aan hulpmiddelen (eerste kolom).

Functieverlies onderste ledematen versus rug, wervelzuil en bekken

Voor de beoordeling en advisering van de algemene doelgroepen met functieverlies in onderste ledematen versus rug, wervelzuil, bekken dient er gekeken te worden naar de ervaren beperkingen.

Indien de beperkingen zich situeren op het vlak van mobiliteit binnenshuis en buitenshuis en deze voldoende ernstig zijn, kan een algemene doelgroep met betrekking tot functieverlies in de onderste ledematen van toepassing zijn. De oorsprong van de problematiek hoeft zich niet te situeren aan de onderste ledematen. Zo kunnen personen met een rugproblematiek bijvoorbeeld tot de algemene doelgroep ‘matig/ernstig functieverlies in beide onderste ledematen’ behoren.

Indien de beperkingen zich situeren op het vlak van het uitvoeren van transfers en gerelateerd zijn aan de mobiliteit van de gewrichten en botten, aan de spieren en aan de beweging ter hoogte van de romp, wervelzuil en het bekken en indien deze beperkingen voldoende ernstig zijn, kan de algemene doelgroep ‘matig/ernstig functieverlies in rug, wervelzuil of bekken’ overwogen worden.

Meer informatie over de voorwaarden voor de erkenning van de handicap, vindt u op deze website bij de informatie over module A.

Indien er eerder al een functiebeperking en interventieniveau toegekend werd door de vroegere provinciale evaluatiecommissie (PEC): 

  • Onderste ledematen: 
    • Voor personen die eerder functiebeperking en interventieniveau ‘aanvulling onderste ledematen’ toegekend kregen,  hoeft geen bijkomende informatie geleverd te worden voor aanvragen voor de algemene doelgroep ‘personen met een matig functieverlies in één of beide onderste ledematen’.
    • Voor personen die eerder functiebeperking en interventieniveau ‘vervanging onderste ledematen’ toegekend kregen, hoeft geen bijkomende informatie geleverd te worden voor aanvragen voor de algemene doelgroepen: ‘personen met een ernstig of volledig functieverlies in één of beide onderste ledematen’.
       
  • Bovenste ledematen:
    • Voor personen die eerder functiebeperking en interventieniveau ‘aanvulling bovenste ledematen’ toegekend kregen, hoeft geen bijkomende informatie geleverd te worden voor aanvragen voor de algemene doelgroepen: ‘personen met een matig functieverlies in één of beide bovenste ledematen’.
    • Voor personen die eerder functiebeperking en interventieniveau ‘vervanging bovenste ledematen’ toegekend kregen, hoeft geen bijkomende informatie geleverd te worden voor aanvragen voor de algemene doelgroepen: ‘personen met een ernstig of volledig functieverlies in één of beide bovenste ledematen’.
       
  • Rug, wervelzuil of bekken
    • Voor personen die eerder functiebeperking en interventieniveau ‘aanvulling rug, wervelzuil of bekken’ toegekend kregen, hoeft geen bijkomende informatie geleverd worden voor aanvragen voor de algemene doelgroep ‘personen met een matig functieverlies in rug, wervelzuil of bekken’.

2. Andere algemene doelgroepen

Naast deze doelgroepen rond functieverlies in onderste en bovenste ledematen en rug, wervelzuil of bekken, zijn er in de hulpmiddelenfiches nog enkele andere algemene doelgroepen voor hulpmiddelen voor personen met een motorische handicap.

Het gaat om volgende doelgroepen: 

  • personen met anatomische afwijkingen met impact op functioneel zitten (bovenbeenamputatie, dysmelie, disproportionele dwerggroei ...)
  • personen met een ernstig verlies van de inspanningstolerantie

Het VAPH hanteert volgende omschrijving voor deze algemene doelgroepen: 

Personen met een ernstig verlies van de inspanningstolerantie

Verlies van inspanningstolerantie kan onder andere veroorzaakt zijn door verminderde functie van hart, longen en spieren. Personen met ernstig verminderde inspanningstolerantie zij niet in staat om:

  • gedurende langere periodes rechtop te staan om bijvoorbeeld huishoudelijke taken uit te voeren;
  • en een hoogteverschil van 1 verdieping te overbruggen met de trap, ondanks rustpauzes;
  • en zich te voet te verplaatsen over een afstand langer dan 300 m.

De problemen moeten van die aard zijn, dat: 

  • de ernst van de functionele problemen van die aard is dat bovenstaande activiteiten niet zelfstandig en zonder hulpmiddelen kunnen worden uitgevoerd;
  • de problemen langdurig en definitief zijn. Revalidatie en/of gewichtsreductie kunnen het probleem niet verhelpen; 
  • de problemen leiden tot moeilijkheden om zelfstandig te wonen of om te participeren aan het maatschappelijk leven. 
     

Personen met anatomische afwijkingen met impact op functioneel zitten (bovenbeenamputatie, dysmelie, disproportionele dwerggroei ...)

Het hebben van een anatomische afwijking is niet voldoende om tot deze algemene doelgroep te behoren. Men moet als gevolg van deze anatomische afwijkingen ook ernstige problemen hebben met functioneel zitten.

Mogelijke anatomische afwijkingen: 

  • bovenbeenamputatie
  • dysmelie (aangeboren misvorming of afwezigheid van één of meerdere ledematen)
  • disproportionele dwerggroei (waarbij de lengte bij volwassenen minder is dan 1,45 m)
  • … 

Ook personen met andere anatomische afwijkingen met impact op functioneel zitten, kunnen tot deze doelgroep behoren. De problemen om functioneel te zitten moeten ernstig en definitief zijn. Met functioneel zitten wordt een zithouding bedoeld die een stabiele uitgangspositie garandeert van waaruit het mogelijk is om te participeren aan activiteiten.
 

3. Bijzondere situaties

Degeneratieve aandoeningen

Om te voorkomen dat een persoon steeds opnieuw bij elke achteruitgang een nieuwe aanvraag zou moeten formuleren voor hulpmiddelen, kan er het best een inschatting gemaakt worden van wat naar alle waarschijnlijkheid noodzakelijk zal zijn in de nabije toekomst. Ook bij degeneratieve aandoeningen moet in module D de algemene doelgroep aangeduid worden die het best past bij het huidige functioneren van de persoon. Omdat er bij de advisering van hulpmiddel wel al rekening gehouden wordt met de te verwachten achteruitgang, kan het zijn dat een persoon nog niet tot de algemene doelgroepen van de hulpmiddelenfiche van het gevraagde hulpmiddel behoort. Het MDT kan dan aanduiden dat de persoon niet tot de doelgroep van de fiche behoort en vervolgens de noodzaak in het kader van de degeneratieve aandoening motiveren. Men kan bijvoorbeeld een tegemoetkoming voor een woningaanpassing aanvragen zonder dat de persoon tot de algemene doelgroep van de hulpmiddelenfiche behoort als de oplossing noodzakelijk, werkbaar en doelmatig is, de gebruiksfrequentie voldoende hoog is en de oplossing (op termijn) de goedkoopst adequate oplossing is.

Een evolutieverslag kan uitkomst bieden en een indicatie geven in hoeverre men rekening moet houden met het evolutieve karakter van de aandoening bij het adviseren van hulpmiddelen. 

Voor personen met een snel degeneratieve aandoening biedt het VAPH ondersteuning aan in de vorm van huurpakketten voor hulpmiddelen voor communicatie, computerbediening en omgevingsbediening.


Blijvend fluctuerend functioneren door opstoten eigen aan de stoornissen (bijvoorbeeld bij relapsing remitting MS):

Sommige stoornissen gaan gepaard met blijvend terugkerende perioden van ernstige opstoten met een sterk verminderd functioneren. Verminderd functioneren kan dagelijks tijdelijk terugkeren of kan gedurende een langere periode (dagen tot maanden) aanwezig zijn. Perioden van opstoten wisselen af met perioden van (gedeeltelijk) herstel. 

Afhankelijk van de ernst, de frequentie en de duur van de opstoten, kan er voor die episodes nood zijn aan andere hulpmiddelen of aanpassingen. In geval van dergelijk blijvend fluctuerend functioneren dat eigen is aan de aard van de stoornis moet men zich baseren op het functioneren tijdens de zwakste momenten om de algemene doelgroep toe te kennen. Zeldzame opstoten geven geen aanleiding tot het toekennen van een algemene doelgroep.

Bij een persoon, die zich met een loophulp binnenshuis kan verplaatsen maar die vrijwel dagelijks in de loop van de namiddag tot als hij gaat slapen volledig afhankelijk wordt van een rolstoel, is er op die momenten sprake van een volledig functieverlies van de onderste ledematen en moet bij het adviseren en beoordelen van de zorgvraag uitgegaan worden van  de algemene doelgroep ‘ernstig functieverlies in beide onderste ledematen’.

Orthesen en prothesen (zowel toepasbaar op bovenste als onderste ledematen)

Als een persoon een orthese of prothese gebruikt, dient men de indicatie van de algemene doelgroep in eerste instantie te baseren op het functioneren van dit lidmaat met zijn prothese of orthese. 

Een amputatie van een onder- of een bovenbeen bijvoorbeeld is op zich geen voldoende beoordelingscriterium voor de toekenning van een algemene doelgroep. De meeste personen herwinnen met de prothese de stapfunctie. Bij de beoordeling van de algemene doelgroep zijn de functionele beperkingen van belang die de persoon ervaart, onder meer op het vlak van mobiliteit indien gebruik wordt gemaakt van een beenprothese.
 

Bij een aantal activiteiten zoals zich wassen, slapen en toiletgebruik ‘s nachts kan de orthese of prothese echter niet gebruikt worden en moet men rekening houden met het functioneren tijdens deze bijzondere omstandigheden.

Een betrokkene met een onderbeenamputatie (andere been onaangedaan) kan voor zijn verplaatsingen in het kader van zelfzorg (‘s morgens naar de badkamer, in de badkamer, ‘s nachts naar toilet) zijn prothese niet gebruiken en is dan aangewezen op zijn krukken of op zijn rolstoel. Met deze bijzondere omstandigheden moet rekening gehouden worden bij het bepalen van de doelgroep. In deze situatie is dat ‘matig functieverlies in één onderste lidmaat'.

Ook kunnen sommige personen door een risico op medische complicaties bepaalde periodes hun prothese niet dragen, dit ondanks een correct gebruik van hun prothese, dermatologische verzorging en de keuze voor drukverlagend en allergie-arm prothesemateriaal. Eenmalige problemen bij het gebruik van een orthese/prothese, geven geen aanleiding tot het toekennen van een zwaardere ernstgraad van het functieverlies binnen de algemene doelgroep, maar terugkerende problemen die te maken hebben met het dragen van de orthese/prothese moeten wel in rekening genomen worden bij het omschrijven van het functioneren en het bepalen van de algemene doelgroep.

Een betrokkene met bilaterale bovenbeenamputatie kan niet de hele dag zijn protheses verdragen. Om problemen te voorkomen draagt hij zijn protheses enkel buitenshuis en nooit binnenshuis. Thuis is de betrokkene bijgevolg rolstoelafhankelijk. Voor de bepaling van de algemene doelgroep wordt met deze laatste situatie rekening gehouden: m.a.w. ‘ernstig functieverlies onderste ledematen’.

Uitzonderlijk blijven sommigen ondanks de beschikking over een prothese voor de meeste  verplaatsingen permanent afhankelijk van een hulpmiddel zoals bijvoorbeeld een loophulp of een rolstoel.  Ook dan moet men zich volledig daarop baseren bij het omschrijven van het functioneren en het bepalen van de algemene doelgroep.

Personen met beperkte levensverwachting, palliatief maar niet-terminaal

Sommige personen beantwoorden niet aan de RIZIV-definitie om een palliatief forfait aan te vragen. Die personen zijn niet terminaal (hebben een levensverwachting > 6 maanden), maar toch lijden ze aan een aandoening die op relatief korte termijn tot de dood zal leiden. Zij kunnen beschouwd worden als personen met een chronische ziekte. Voorbeelden zijn: personen met ALS, kankerpatiënten in een remissiefase …

Bij personen in een dergelijke situatie, die op het moment van de aanvraag nog een zekere mobiliteit vertonen, maar op korte termijn bedlegerig dreigen te worden, kan het aangewezen zijn om al een tegemoetkoming voor bepaalde hulpmiddelen aan te vragen. In module D moet de algemene doelgroep aangeduid worden die het best past bij het huidige functioneren van de persoon. Omdat er bij de advisering van hulpmiddel wel al rekening gehouden wordt met de te verwachten achteruitgang kan het zijn dat een persoon nog niet tot de algemene doelgroepen van de hulpmiddelenfiche van het gevraagde hulpmiddel behoort. Het MDT kan dan aanduiden dat de persoon niet tot de doelgroep van de fiche behoort en vervolgens de noodzaak van het hulpmiddel motiveren.